Oproepkrachten en de NOW: het dilemma

Bart Sanders Advocaat

Het lijkt voor werkgevers aantrekkelijk om loon van oproepkrachten niet of slechts gedeeltelijk door te betalen als de coronacrisis leidt tot minder werk. Daaraan kleeft wel een risico waar men zich goed van bewust moet zijn.

In de NOW-regeling is bepaald dat een verlaging van de loonsom over de maanden in de subsidieperiode leidt tot een verlaging van de NOW-subsidie (zie ook mijn BLOG daarover). Daarmee roept de regering ondernemers op om oproepkrachten zo veel mogelijk in dienst te houden en door te betalen. Voor de ondernemers geldt echter dat de loonkostensubsidie zelfs bij een omzetdaling van 100% maar 90% bedraagt terwijl het loon volledig zou moeten worden doorbetaald. Veel werkgevers hebben naast de loonkosten nog andere vaste lasten die het voor hen moeilijk maken om te voldoen aan de oproep om oproepkrachten volledig door te betalen.

Het lijkt dan toch aantrekkelijk om oproepkrachten niet (of minder) door te betalen. Dat leidt wel tot een verlaging van de subsidie, maar ook tot een (grotere) besparing op de loonkosten.

Men moet zich daarbij wel goed bedenken dat oproepkrachten (in ieder geval met een dienstverband dat langer dan zes maanden heeft geduurd) een sterke wettelijke positie hebben om alsnog loon te vorderen als zij niet worden opgeroepen. Het feit dat een werkgever als gevolg van de coronacrisis minder werk heeft, zal door de rechter niet (snel) gezien worden als een reden die in redelijkheid voor rekening van de werknemer dient te komen. De rechter zal daarbij ook rekening houden met het feit dat de werkgever gebruik had kunnen maken van de NOW-subsidie tot 90% van het loon. De werknemer kan dan recht houden op doorbetaling van loon gelijk aan dat in een periode van drie maanden voorafgaand aan de vermindering (of beëindiging) van de loonbetaling.

Sinds 1 januari 2020 is de werkgever ook verplicht om steeds als de oproepovereenkomst twaalf maanden heeft geduurd binnen een maand een aanbod te doen voor een vaste arbeidsomvang die ten minste gelijk is aan de gemiddelde omvang van de arbeid in de voorafgaande periode van twaalf maanden. Als dit aanbod niet is gedaan heeft de werknemer in elk geval recht op loon over de vaste arbeidsomvang die aangeboden had moeten worden. Als de werknemer wel een aanbod voor een (kleinere) vaste arbeidsomvang heeft gehad, maar dit aanbod niet heeft aanvaard of zelfs heeft afgewezen, dan kan hij nog steeds recht op loon claimen, omdat de coronacrisis geen oorzaak is voor het niet werken die in redelijkheid voor zijn risico dient te komen. Daarbij zal de rechter ook rekening houden met het feit dat de NOW ervan uitgaat dat oproepkrachten recht houden op doorbetaling van loon.

De vraag is dus eigenlijk niet of de oproepkracht (langer dan zes maanden in dienst) recht houdt op doorbetaling van loon (dat houdt hij), maar of hij doorbetaling ook zal afdwingen als zijn werkgever als gevolg van de coronacrisis geen werk voor hem had.

Van groot belang is dat voor loonbetalingen waarover pas op of na 19 juli 2020 aangifte loonheffing wordt gedaan, geen NOW-subsidie kan worden verstrekt.

De werkgever staat hier voor een duivels dilemma en doet er goed aan dit risico in te calculeren als hij besluit oproepkrachten niet door te betalen.

Hebt u meer vragen over de toepassing van de NOW-regeling? Neemt u dan gerust contact met mij op.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *